Vrieskou! Warmte trekt in zijn aderen.
Hij gaat, krijgt met een stalen zweep,
links-rechts, de vlakte in zijn greep,
de scheuren mijdend slag na slag
waarbij het ijs de ijzers slijpt.
Oostenwind trok hem op het ijs.
Hoe overleeft hij? Stalen concentratie
vloeit samen met zijn schaatserscontemplatie.
Beschouwingen, rechts-links-rechts-links, glijden
in een cadans van ongedachte slagen.
Het ijs spiegelt de diepte van zijn gaan
en levensvragen helder als kristal
worden beantwoord in een samenspel
van slinkse spleten, kou, striemende wind,
glijdende geest, messteken in de rug.
Hoe klein zijn streven bij de grootheid van Wie schiep
het samenspannen van vlakte, vorst en wind;
hier stopt de zin van dit bestaan. Maar hij bestrijdt
de treiter van zijn geest. Warmt zich opnieuw
aan de helle kou en schaatst ertegenin.
